Status Overzicht - MonumentID: 266

 

Status

Gemeentelijk Monument

Datum StartBescherming

01/01/1900

Datum EindeBescherming

Redengevende Omschrijving

 

BESCHRIJVING

De villa is gelegen op de hoek van de Hoogstraat en de Venloseweg en is in 1910 gebouwd voor Leonard Syrier en zijn Russische vrouw Katherina. De eerste letters (L en K) van de voornamen verwijzen naar de naam van de villa: "ELKA" gesitueerd.
Syriers vader was huisarts en heeft mogelijk in een voorloper van de villa ter plekke gewoond. Van een eerdere bouw is in ieder geval een tooggewelf overgebleven. Later werd het pand bewoond door dokter Rahier en werd de serre aan de noordelijke zijde omgebouwd tot wachtkamer.
Door de grootte van het pand, de aanbouwen, de toren en de grote tuin heeft het pand eerder iets weg van een landhuis dan van een villa. Het pand doet, door de eenvoud van gevelbehandeling, enigszins ongewoon aan.

In Nederland werd voor rijke families over het algemeen meer maniëristisch (rijker versierd, zie panden overzijde van de weg) gebouwd.
De ligging van de villa op de overgang van de monumentale Venloseweg en de Hoogstraat/Grotestraat markeert de overgang stedenbouwkundig/architectonisch van de oorspronkelijke dorpsstructuur en de nieuwe 19e eeuwse, begin 20e eeuwse structuur.
De aan de overkant gelegen panden Venloseweg 2 en 4 uit dezelfde tijd spelen ook mee in dat beeld. Belangrijk in het beeld van de Venloseweg is de gerichtheid op twee kerken van P. Cuijpers, de gerestaureerde 'Martinuskerk' in Tegelen en aan de andere kant de ‘Mariakerk' aan de Sinselveldstraat in Venlo.
Na de Tweede Wereldoorlog is het monumentale beeld richting Venlo verwaterd onder meer door het niet herbouwen van de torenspits van de Mariakerk, de verbreding van de Venloseweg (Tegelseweg) en de aanleg, met viaduct over de Venloseweg/Tegelseweg, van het Zuiderbrugtracé.
De bouwstijl van de villa heeft dus sobere, maar wel heel sprekende neo-renaissance kenmerken. De slanke vormen van het pand passen echter wel goed in het (neo-gotische) stadsbeeld zoals Cuijpers dit graag zag.
In die zin maakt de villa, en ook Venloseweg 2 en 4 aan de andere kant van de weg, deel uit van de opvattingen over architectonisch stadsbeeld in die tijd.

Het pand bestaat uit een gedeelte in twee bouwlagen met een samengestelde kap, twee aanbouwen in één bouwlaag met kap en een toren in vier bouwlagen met kap. De toren heeft aan de achterkant, met kap, een gedeelte waarin onder andere de trap loopt. Een L-vormig stuk in twee bouwlagen is het hoofdgedeelte van de villa en bestaat uit een gevel aan de straatzijde met, tussen twee trapgevels, een zadeldak en een achtergedeelte met schilddak.
Aan de rechterzijde van de oostelijke voorgevel verder een risaliet met een trapgevel en aansluitend dakstuk. De vensters zijn per twee, onder en boven, naar het midden geclusterd. De middenstijlen van de onderramen lopen door in de bovenlichten. In het risaliet zitten vergelijkbare vensters, doch zijn vergroot met een extra middenstijl. Bovenin de top zit een klein, niet onderverdeeld, venster.

De achterzijde van de L-vorm heeft twee grote, boven elkaar gesitueerde, gevelopeningen met drie doorlopende middenstijlen. Boven de gevelopeningen korfbogen. In de onderste gevelopening zaten openslaande deuren, deze zijn later vervangen door de huidige schuifpanelen.
De noordelijke kant van dit gedeelte heeft een blinde muur. Links daarvan bevinden zich, boven elkaar, twee vensters met één middenstijl, dezelfde als in de voorgevel aan de straatzijde. Het stukje zuidelijke gevel vòòr de toren is een blinde muur. De noordelijke gevel in het hoofdbouwlichaam heeft een top-/trapgevel waarvan de onderzijde blind is en de bovenzijde bestaat uit een naar boven oplopend nissenpatroon met daarin, ter weerszijden van de middelste nis, twee kleine ramen, zonder bovenlicht, met één middenstijl. Tegen het blinde gedeelte van deze gevel is, asymmetrisch naar achteren, de voormalige wachtruimte gesitueerd.
Deze bestaat uit een gedeelte met een afgeplat schilddak, en een licht naar voren stekend gedeelte met een aansluitend lessenaarsdak. Hierin bevinden zich een verhoogde toegangsdeur en een klein raam ten behoeve van achterliggend toilet.
Aan de zuidkant weer twee, naast elkaar liggende, vensters met één middenstijl doorlopend in het bovenlicht.
Aan de achterkant één, naar het hoofdbouwlichaam toegeplaatst, venster, zonder middenstijl mèt bovenlicht. De vierkante toren heeft vier bouwlagen en een ingesnoerd afgeplatte spits met daarop een hekwerk.
Aan de voorkant bevindt zich in de toren de, verhoogde, hoofdentree met dubbele deur en daarboven twee boven elkaar liggende vensters met één middenstijl die doorloopt in het bovenlicht. Daarboven een smal, hoog raam met aan weerszijden een nis.

De zuidelijke kant van de toren heeft vanaf de eerste bouwlaag dezelfde indeling. Op de begane grond is een gedeelte van de lage bouw aan deze zijde aangebouwd.
Het stukje noordelijke zijde van de toren is blind. Aan de achterzijde is een, iets inspringend, gedeelte aangebouwd met een apart dakvlak, dat aan de zuidkant met een trapgevel wordt beëindigd. In het gevelvlak bevinden zich een achterdeur en kleine ramen ten behoeve van toiletten en overloop.
Het laatste stukje toren op de vierde bouwlaag heeft een zelfde indeling als aan de oostelijke voorzijde en de zuidzijde.

Tot slot de aanbouw aan de zuidzijde. Deze staat haaks op de hoofdbouw en bestaat uit een gedeelte in één bouwlaag met schilddak en, op de korte zijden, uit twee kleine gedeelten met een lessenaarsdak.
Het oostelijke stukje is tevens tegen de toren gebouwd. In het hoofdgedeelte bevinden zich vier naast elkaar gelegen vensters met een middenstijl en een licht getoogd gewoon bovenlicht, met daarboven een rollaag.
Hiernaast, aan de oostkant, bevindt zich in een verhoogde entree in het gedeelte met lessenaarsdak. De achter-/noordzijde van de aanbouw heeft een blinde gevel. Het pand is gedeeltelijk onderkelderd, waaronder het eerder genoemde tooggewelf, wat zich bevindt onder het voorste gedeelte van de hoofdbouw.
De villa is opgetrokken in een gemengd rode baksteen in kruisverband, met spettervoeg. De stenen zijn nu veel donkerder, maar waren oorspronkelijk dus gemengd rood en lijken ook handvormstenen (wat in die tijd nauwelijks meer voorkwam). Dezelfde soort stenen lijken ook toegepast voor het overige metselwerk als rollagen, nissen, boogvelden en dakconsoles. Doorlopend over de gevel, ter accentuering van de onder- en bovenzijde van de ramen, speklagen in wit geverfd pleisterwerk. De speklagen zijn niet verwerkt in de onderste gedeelten van de blinde gevels aan de noordkant en het gedeelte dat achter tegen de toren is gebouwd.

Een andere opvallend element in de gevelstructuur is dat van de doorlopende gepleisterde stenen op de diverse hoeken, dagkanten en op de aanzetten en het sluitstuk van de rond- en korfbogen boven ramen en deuren. Dit alles ook ter accentuering van de ramen- en deurenstructuur.
Hardsteen is verwerkt in de raam- en deurdorpels, traptreden en -vlakken bij de entrees, afzettingen met tuinconsoles bij de entrees, voorgevelplint en de dek- en kraagstenen van de trapgevels.
Het dak is afgedekt met muldepannen. Het dak op de toren is afgedekt met lei. De meeste oorspronkelijke ramen zijn openslaand met een vast bovenlicht. De bewerkte dubbele voordeur is versierd met smeedwerk met daarachter glas. Smeedwerk is verder aangebracht op de toren en de trapgevel van het risaliet aan de voorzijde. De buitenzijde van het pand is behoorlijk in tact.
Het pand is ontsloten via de dubbele deur in de toren. Daarnaast zijn er twee toegangen in de aanbouwen en twee toegangen aan de achterzijde van het pand.
De toren fungeert als het verzamelpunt van de ontsluiting, met een gang naar de ruimtes in de hoofdbouw en haaks daarop (aan de achterzijde van de toren) het trapportaal.

De indeling en het interieur van het pand zijn nog goed herkenbaar. Ten behoeve van de splitsing van de woning zijn enkele toegangen dichtgezet.
Een aantal waardevolle onderdelen van het interieur zijn vermeldenswaard:
-   de gang met diverse stucwerk;
-   enkele openslaande deuren met glas-in-lood in bloemmotieven en een polychrome
    mozaïekvloer;
-   originele trap met fraai hout- en stucwerk;
-   fraai stucwerk op de plafonds in verschillende ruimtes beneden;
-   zwart marmeren schoorstenen in enkele vertrekken.

 

WAARDERING


Het pand Venloseweg 5, is:

  • van architectuurhistorisch belang als voorbeeld van een, in neostijl, degelijke monumentale villabouw uit het einde 19e, begin 20e eeuw. De veelheid aan stilistische vormen geeft tevens uitdrukking aan het beeld van een landhuis in een groene omgeving;
  • van stedenbouwkundig/landschappelijk belang gezien de ligging op de overgang van de oude kern van Tegelen en de monumentale Venloseweg met de daarin rijk voorkomende typologie van villa’s, waaronder die van Venloseweg 2, 4 en 5. De betekenis en het belang van het ensemble Venloseweg 2, 4 en 5 bij de opvattingen over de architectuur van de stad naar de ideeën van onder meer Pierre Cuijpers;
  • van cultuurhistorische belang als villa van een voormalig notabele van de gemeente Tegelen;
  • van belang door de behoorlijke gaafheid van een en ander en van redelijke zeldzaamheid door de sobere en specifieke uitdrukking en door de toepassing van handvormstenen.

 

Bronnen

-

Trefwoorden

-

OmgevingKaart

Geen kaart beschikbaar

PerceelKaart

Geen kaart beschikbaar